Tijd geleden, veel aan de hand

4 mei 2012

Nu heb ik besloten mijn blog weer op te pakken, maar weet niet waarover ik moet schrijven. Of liever gezegd, ik weet niet waarover ik niet moet schrijven. Ben ik de enige die denkt dat er op dit moment iets te veel gebeurd in de wereld, in Nederland?

Het zou goed zijn om met zijn zesmiljarden eens een dag vrij te nemen. Kunnen we allemaal eens reflecteren om de dingen die aan het gebeuren zijn. Even rustig ademhalen en er van een afstandje naar kijken. Bij mij helpt dat vaak.

De ramp die niemand wilde missen

5 januari 2012

Een korte analyse van Nederland bij slecht weer

(geschreven in 2005, maar natuurlijk zeer actueel in het stormachtige begin van 2012. Het is geschreven als reactie op een aantal wetenschappelijke artikelen, de goede verstaander leest daar denk ik wel over heen)

Gedurende de collegeperiode waarin het vak Van interactief heiligdom naar interpassief veiligdom gegeven werd, heb ik me afgevraagd of het inderdaad zo is dat de samenleving op die manier zo veranderd is. De chaos die ontstond toen het op vrijdag 25 november 2005 een keer echt slecht weer was in ons land gaf mij een bewijs. En hoewel dit misschien niet geheel doorslaggevend is (wat is immers één dag?) denk ik dat ik er wel iets over kan zeggen.

Ik hoorde die vrijdag in de winkel een gesprek tussen een man die net thuis was uit zijn werk, hij had zijn nette pak nog aan het het befaamde zwarte koffertje nog in zijn handen, en een iets oudere man die blijkbaar de hele dag thuis was geweest.

De laatste vroeg de man in het pak of hij geen moeilijkheden had gehad op de weg, waarop deze zei dat hij zijn auto ergens had staan waar hij enkel met de trein kon komen. Vervolgens had hij gehoord dat de treinen niet meer reden en toen hij maar iemand gebeld om hem op te komen halen. Diegene had meer dan twee uur gedaan over een ritje dat normaal een half uur kostte. Die middag had hij al vrij genomen omdat hij het mis zag gaan. Alsnog was hij pas aan het begin van de avond thuis was.

Het ging mij om de manier waarop dit gesprek ging. In de stem van de jongere man klonk behalve de vlaag van de irritatie die hij na zo’n dag wel moest voelen vooral een zekere trots door. Hij had meegedaan aan dit gebeuren, het nieuws van die dag ging over hém. De oudere man hoorde ik dan ook spreken met een soort bewondering. Hij was die dag buitenstaander geweest, hij had niet meegemaakt wat heel Nederland scheen meegemaakt te hebben.

De volgende ochtend hoorde ik mensen met dezelfde bewondering spreken over de mensen die de hele nacht nog in de file hadden gestaan. Iedereen had die mensen in hun auto’s zien slapen of in een stationshal zien zitten wachten op een trein die nooit kwam en iedereen had het erover, alsof ze het jammer vonden dat zij die nacht gewoon in hun eigen huis hadden doorgebracht.

Dit soort geluiden zijn vaak te horen als er ‘iets’ aan de hand is. Mensen willen bij dat ‘iets’ zijn. Met Virilio kunnen we zeggen dat mensen niet voor of tegen te zijn, als ze er maar direct bij zijn. En dat werd juist door de televisie mogelijk. De thuisblijvers waren er dus in zekere zin meer bij dan de mensen die in die files stonden. Via de media en vooral via het medium televisie werden de huiskamers doordrongen van het hele gebeuren, zo erg zelfs dat mensen in spanning zaten of de reporter van de NOS uiteindelijk wel of niet op de plek des onheils zou komen.

Hieruit blijkt ook dat interpassiviteit niet louter passiviteit is. De mensen zijn juist erg betrokken. Ze reageren echter, juist omdat ze in de nabijheid van dat medium verwijlen, met een ‘nu even niet’. Met andere woorden, mensen blijven liever achter de televisie zitten om te kijken naar problemen met het weer elders in het land dan er voor te zorgen dat hun eigen straat sneeuw- en ijsvrij, en dus veilig, is. Ze besteden hun veiligheid liever uit aan de daartoe bevoegde instanties. Dit gaat niet alleen om veiligheid met betrekking tot weersomstan-digheden in relatie tot het wegennet, maar juist ook over veiligheid op straat met betrekking tot het samenkomen van mensen in de publieke ruimte. Mensen willen dat ‘het’ veiliger wordt op straat, maar doen daar vervolgens zelf niets aan. De bevoegde instanties waaraan de mensen die veiligheid uitbesteden reageren vervolgens met concepten als ‘meer blauw op straat’. Dit zijn concepten die niet zorgen voor meer reële veiligheid, maar slechts voor een gevoel van veiligheid. Het gaat om een soort symbolische veiligheid.

Hetzelfde geldt voor de camera’s op straat. Deze voorkomen ook niet dat er dingen gebeuren, maar geven mensen wel het gevoel dat er iemand meekijkt. Ook dit kan weer een gevoel van veiligheid opleveren. Hoe veilig of onveilig het echt is kunnen we echter eigenlijk bijna niet meer weten. Veiligheid is een gevoel dat vooral door de media wordt beïnvloed. De reële (on)veiligheid weten we niet mede omdat velen van ons zich eigenlijk zelden meer in de publieke ruimte begeven.

Dit konden we die dag zien toen we televisie aanzette. De sneeuw in het midden van het land had meer dan 900 kilometer file veroorzaakt. Toen ik al die rijen auto’s zag drong het tot me door dat ik hier een wel heel goed voorbeeld zag van wat Lieven de Cauter de capsulaire samenleving noemt.

Volgens de Cauter is de consequentie van de binaire structuur van het kapitalisme dat er nooit een global village zal zijn. Er zal altijd een binnen en een buiten blijven. Mensen zullen zich in hun eigen stukjes omgeving blijven terugtrekken. Dit komt doordat er veel ongelijkheid is. Veel structuren worden gemaakt die het binnen tegen het buiten moeten verdedigen. De Cauter noemt zulke structuren capsules of capsulaire architectuur. Dit is vooral te zien in moderne steden die geheel gegeneraliseerd is geworden. Deze steden zijn geobsedeerd met dichtheid, veiligheid en controle. De capsule is een apparaat dat een kunstmatige omgeving creëert die de communicatie met het buiten minimalizeert door zijn eigen tijd-ruimte milieu te creëren. Het is dus een gesloten kunstmatige omgeving. Het ultieme voorbeeld is natuurlijk de auto die we voor steeds kortere stukken nodig schijnen te hebben. De auto creëert een gevoel van veiligheid als je toch door de onveilige openbare ruimte heen moet. En eerlijk is eerlijk, ik ga ook liever ‘s avonds door Rotterdam Zuid met de auto dan dat ik fiets of loop, ondanks het feit dat er jaarlijks heel veel doden vallen in het verkeer. Dit is weer duidelijk een voorbeeld dat veiligheid met een gevoel te maken heeft. Statistisch gezien is een auto helemaal zo veilig niet. In je eigen auto voel je je echter veilig en dat komt voornamelijk doordat deze auto jouw eigen plek is, één van die structuren waarmee je je verdedigt tegen het buiten.

Ik denk ook dat dat laatste de reden is dat mensen niet graag het openbaar vervoer nemen. Het is heel moeilijk om daar je eigen ruimte van te maken. Mensen proberen zich te installeren als ze een reisje met in het openbaar vervoer maken. Nu lukt dat nog enigszins als je zit, maar zelfs bij een kort ritje worden mensen al zeer ongelukkig als ze moeten staan. Het is heel goed mogelijk dat dat niet alleen is omdat staan in een rijdend voertuig een ongemakkelijke bezigheid is, maar ook omdat mensen zich geen plek eigen kunnen maken. Daarbij is de capsule die je creëert in het openbaar vervoer geen permanente capsule. Je kunt je tijdelijk jouw stoel eigen maken, maar op een gegeven moment moet je er weer uit en moet je ergens anders weer je capsule creëren.

Dat kan de reden zijn dat mensen walkmans en mobiele telefoons gebruiken om zich van de wereld af te sluiten. Ook dat zijn volgens De Cauter capsules. Met een walkman creëren we ook een binnen en een buiten. Iemand die een walkman draagt is als het ware niet in de publieke ruimte, maar zit in zijn eigen wereld.

Dit deed me ook denken aan het idee van Hannah Arendt dat je in de publieke ruimte kan zijn wie je wilt. Is dat niet ook een capsule? Volgens mij verdedig je daar ook jouw binnen mee tegen het buiten. Je schept een soort façade doordat je een identiteit creëert over jouw eigen identiteit heen. Hannah Arendt maakt duidelijk dat we altijd op nieuw kunnen beginnen in die publieke ruimte. Je kunt zijn wie je wilt. Je echte identiteit is echter privé, daar heeft niemand iets mee te maken.

Geen van de mensen die die avond in een van die lange files stond verliet zijn auto om te gaan lopen. Nu is dat een raar idee, en niet alleen omdat de file dan nooit opgelost zou zijn doordat er her en der auto’s los zouden staan zonder chauffeur. Niet alleen zijn mensen in Nederland als ze met de auto ergens heen gaan er niet op voorbereid om enkele tientallen kilometers te gaan lopen, ze kunnen het ook zeer waarschijnlijk niet meer. Lieven de Cauter heeft gelijk als hij zegt dat we de publieke ruimte bijna niet meer gebruiken, het probleem is dat we het in veel gevallen niet meer kunnen. Mensen die die avond waren uitgestapt om te gaan lopen waren zeer waarschijnlijk vermoeid ergens gaan zitten om vervolgens onderkoeld te geraken. Draaiden onze voorouders er de hand niet voor om een aantal dagen te lopen als ze van Amsterdam naar Apeldoorn wilden, tegenwoordig blijven we als we nog maar enkele kilometers van Apeldoorn verwijderd zijn liever in de file staan. Mede ook omdat die auto onze eigen ruimte is.

Het lijkt alsof het reizen in ons land minder gevaarlijk is geworden. Je hebt tegenwoordig een zeer grote kans om zonder kleerscheuren van Amsterdam naar Apeldoorn te komen. Echter, als ik met de Cauter mee ga in zijn redenering kan ik betogen dat wij eigenlijk bijna niet meer reizen. We verplaatsen ons in een capsule van capsule naar capsule. Die capsules hebben hun eigen tijd-ruimte milieu en zijn dus een eigen ruimte, een ruimte die we ons eigen kunnen maken. Ik moest hierbij denken aan een reis die ik twee jaar geleden in Canada maakte. We hadden een auto gehuurd en besloten daarmee een tocht door British Columbia te maken. Meer en meer ging ik de auto waarderen en ik ging hem zien als een soort veilige haven als we een wandeling hadden gemaakt naar één van de vele bezienswaardigheden. Ik besefte dat in dat gebied de natuur nog echt natuur was en dat ik niet was uitgerust om me zonder auto in die natuur te begeven. Ik was in dit geval dankbaar voor mijn capsule die me overal bracht. Maar eigenlijk werd mijn reis pas echt op de momenten dat ik buiten de auto was. Mensen stappen ook altijd uit om bezienswaardigheden te bekijken, al is het enkel van de buitenkant die je ook vanuit de auto kunt zien. Pas dan begeven we ons in de publieke ruimte (al is er iets voor te zeggen ook de gemiddelde toeristische attractie een capsule te noemen) en zijn we echt op reis.

Lieven de Cauter ziet de problemen die deze capsulaire samenleving met zich meebrengt. Hij is nogal een doemdenker. Hij haalt het voorbeeld aan van Semira Adamu, een vluchtelinge die België (en daarmee fort Europa) binnen wilde komen. Ze werd op een zo brute manier behandeld bij haar uitzetting dat ze stierf. Blijkbaar is ook Europa een capsule met een eigen tijd-ruimte, die we willen verdedigen tegen dat wat van buiten komt.

De Cauter is nog al extreem in zijn denken over deze capsulaire samenleving. De vraag echter of dit idee zo nieuw is. Natuurlijk hebben we niet altijd auto’s gehad om ons voort te bewegen. Maar ook onze voorouders creëerden naar mijn mening hun capsules, al hadden ze nog niet de mogelijkheid deze zo afgesloten te maken als we tegenwoordig doen. Is dat interpassiviteit? Vast wel, maar het is het niet gewoon ook mensen eigen om terrein af te bakenen en dus capsules te creëren? Het lijkt er bijna op dat de Cauter een nieuwe naam heeft gegeven aan een oud sociologisch fenomeen. Als moet ik hem wel nageven dat wanneer mensen zich onveiliger gaan voelen zich meer en meer in hun capsules gaan terugtrekken en de publieke ruimte gaan mijden.

Ik denk echter dat er ook voor Boomkens drempelwereld wel wat te zeggen is. Het is wel heel erge Franse retoriek om te zeggen dat alles een capsule is en dat we nooit meer in de publieke ruimte komen. De Cauter trekt het wel heel extreem. Ik denk dat er grenzen tussen die capsules zijn die niet heel strak zijn. Boomkens noemt dit de drempelwereld. Hij spreekt van sluizen die zich tussen de publieke ruimte en de privésfeer bevinden. Er zijn ruimtes die plaats kunnen bieden aan privé-moetingen en die gelegenheid bieden voor collectieve gebeurtenissen. Deze ruimtes vormen de drempelwereld waar individualiteit en collectiviteit elkaar raken. Een goed voorbeeld van zo’n ruimte is een ziekenhuis waar dingen gebeuren die heel privé zijn voor mensen. Mensen uiten er hun angsten of hun blijdschap, ze rouwen om de dood van een geliefde of zijn blij met de geboorte van hun kind. Tegelijkertijd is een ziekenhuis openbaar en kunnen ook wildvreemden delen in die dingen.

Duidelijk was dat die vrijdagavond te zien bij de mensen die op hun trein zaten te wachten. Zij moesten wachten in een zaaltje waar het warm was en waar ze even konden zitten. En hoewel er mensen waren die met walkman op probeerden te slapen of zich al bellend af probeerden te sluiten van de omgeving was er ook duidelijk interactie tussen mensen te zien. Mensen die elkaar op het station of in de trein nooit zouden hebben aangesproken zaten nu samen een potje te kaarten of gewoon een gesprek met elkaar te voeren.

Hier bleek dat het idee van Sennett ook waar is. De mensen waren min of meer tot elkaar veroordeeld in deze kleine ruimte. Volgens Sennett moet je afstandelijk zijn tegenover elkaar, maar moet ook weer niet helemaal langs elkaar heen leven. Sennett zag dit echter ook nog gebeuren in de echte publieke ruimte. Ik denk dat dat wat ver gaat, maar het gaat zeker nog op in Boomkens drempelwereld. Misschien is het zelfs wel zo dat die drempelwereld ook voor een kort moment door mensen gecreëerd kan worden. Als je in de publieke ruimte met iemand in gesprek raakt is dat niet veel anders dan als je je van de publieke ruimte afsluit met een mobiele telefoon. Je creëert als het ware een capsule voor meerdere mensen. Ik denk dat de drempelwereld van Boomkens ook zo werkt. Die semi-openbare plaatsen waar hij het over heeft zijn in principe toch weer capsules, alleen kunnen er meer mensen in. Helemaal open zijn ze echter ook niet. Er blijft een binnen en een buiten.

Daarbij was het duidelijk dat het nieuws, inderdaad een extreme vorm was van tegemoed komen aan de kijker. Het medium was ter plekke en registreerde ook echt zonder tussenkomst. En zo kwam het dat heel Nederland zat te kijken naar mensen die in hun auto’s probeerden te slapen.

Ik vond dit heel veel lijken op het idee van het Panopticon van Jeremy Bentham. Een gevangenis waar de gevangenen constant op hun hoede moesten zijn dat ze niet in de gaten gehouden werden. In zekere zin zagen we dat die vrijdag ook. De mensen die in de auto’s zaten te slapen konden ieder moment een camera op zich krijgen, wat dan ook vaak gebeurde. Zelfs in je eigen capsule lijk je dus niet meer veilig voor de alomtegenwoordige camera’s.

Ik heb op een gegeven moment de televisie uitgezet. Het journaal kwam hetzelfde nieuws ieder kwartier brengen. En dat leek me nogal overbodig. Toch bleven de media maar uitzenden, alsof iemand er echt alles over wilde weten. Ik denk dat Virilio gelijk heeft als hij zegt dat je kan bezwijken onder de loutere intensiteit van de informatie. En eerlijk gezegd was voor mij het nieuwe er na het zoveelste beeld van een door sneeuw geblokkeerde snelweg, een slapend persoon in zijn auto of een stilstaande trein wel af.

Inderpassiviteit kan worden gedefiniëerd in termen van uitbesteding. Mensen onderschrijven de normen wel maar verklaren zichzelf incapabel om naar die normen te leven. Ze geven zichzelf een soort Kantiaans brevet van onvermogen.

Het viel me dan ook op dat de enige persoon die die dag overduidelijk aan de interpassiviteit ontsnapte ook het enige echte slachtoffer werd. Het NOS journaal meldde dat een man die een vrachtwagenchauffeur wilde helpen, tijdens een poging bij deze chauffeur te komen tussen de twee helften van de lekbrug bij Vianen terechtkwam. Misschien had hij net als al die andere mensen beter in zijn auto kunnen blijven zitten.

Tussentijd

27 februari 2011

Ik wacht. Nog even en dan gaat de achtbaanrit weer beginnen. Ons kindje zal geboren worden en samen met haar broer zal ze haar ouders bezig houden tot diep in de nacht. Maar vooralsnog- wat ik overigens een prachtige term vind- vooralsnog zitten we in een soort Limbo. Een tussentijd.

Waarin ik van alles zou kunnen doen: bergen boeken lezen, een schilderij maken, taarten bakken, een boek schrijven, beginnen aan mijn proefschrift, de woonkamer opnieuw inrichten en honderdeneen andere dingen die ik nu niet kan verzinnen.

Maar ik wacht. En dat is alles wat ik lijk te kunnen doen. Er komt niets uit mijn handen en mijn gedachten lijken niet gefocust te worden, behalve op het wonder dat komen gaat.

Misschien is dat wel zoals het zijn moet. Dat even, een paar weken maar, rondom het ter wereld komen van een nieuw mens, er in ieder geval éé’n iemand is die daar mee bezig is. Dat kan maar net zo goed de moeder zijn.

Genant

5 december 2010

In mijn televisiegids wordt ergens op een doordeweekse avond het programma ‘Genante lijven’ aangekondigd. Elders die week kan de televisiekijker het programma ‘Genante ziektes’ bekijken. De titels doen een beeld van de wereld van de makers vermoeden waar ik part noch deel aan wil hebben. Dat afwijkingen iets zijn om je voor te schamen. Dat het normaal is als we ziektes behandelen als iets wat degenen die er aan lijden genant zouden moeten vinden.

Verschrikkelijk.

Als televisieprogramma’s over mensen die te maken hebben met een ziekte of afwijking iets anders beogen dan bewondering, empathie en hoop bij de kijker, zijn het enkel sensatiebeluste programma’s, die over de ruggen van kwestbaren geld verdienen. Hoewel ik geen van bovenstaande programma’s heb gezien doen de titels vermoeden dat de kijker zich kan vergapen aan het leed van een ander en zich erover kan verkneukelen. Blij zijn dat hij niet degene is die dát heeft.

Verschrikkelijk jammer, dat dat soort programma’s bestaan.

Van belang

13 november 2010

En weer startte ‘De Wereld Draait Door’ met een item over een voetbalclub. Nu gun ik iedereen zijn hobby, maar laten we het alsjeblieft als zodanig blijven zien! Een buitenaardse beschaving die onze media bestudeert, kan niet anders dan concluderen dan dat voetbal een van de dingen is die onze samenleving draaiende houdt.

Nu is dat misschien voor die hordes fans ook wel waar. Hun wereld draait om die tweeëntwintig figuren op dat groene veld die wanhopige pogingen doen dat balletje naar de andere kant te schoppen. Ze doen alsof datgene wat op dat veld gebeurt niet alleen ongelofelijk belangrijk, maar ook nog eens razend moeilijk is. En dat rechtvaardigt voor hun het uren, dagen en soms weken napraten over een wedstrijd of toernooi.

Mijn mening erover? Voetbal is een sport en goed voetballen vraagt talent. Maar meestal niet meer, en vaak zelfs minder, dan andere sporten of laten we het breder zeggen, bezigheden. Die buitenspelval is echt geen raketwetenschap, dat heen en weer rennen doen atleten ook , en vaak harder en beter, en behendigheid is iets wat gymnasten en kunstrijders ook, en meer, bezitten. Kortom, zo bijzonder is het niet wat er op zo’n veld gebeurt.

Natuurlijk mag iedereen daar anders over denken, maar dan graag mij niet in programma’s die ik kijk en andere media die ik consumeer ermee vermoeien. Voetbal is alleen belangrijk als je het belangrijk maakt en dat doe ik niet. Ik heb andere hobbies en geloof overigens niet dat die voor de samenleving van belang zijn.

Soms

24 oktober 2010

Ik hou van literatuur, word graag geprikkeld en uitgedaagd door schrijvers. Maar soms vind ik het heerlijk om gewoon een thriller te lezen, of een actiehelden boek met no nonsense karakters.

Ik hou van art house films, films met meerdere lagen, films waarbij je moet nadenken en waarbij je misschien wel niet gelukkig de bioscoop uitkomt. Maar soms word ik gewoon heel gelukkig van een romantische komedie.

Ik kijk vaak en graag het nieuws, volg actualiteitenprogramma’s en wil me graag gedragen als een actieve en betrokken burger. En mijn mening verrijken en laten vormen door te luisteren naar intelligente en ook actieve en betrokken mensen met uiteenlopende meningen. Maar soms wil ik gewoon een avond op de bank zitten en niet nadenken. Verschillende series kijken die allemaal door één en dezelfde inspiratieloze scenarioschrijver zijn geschreven.

Heerlijk vind ik dat. Is dat erg?

Fijn

2 augustus 2010

Er zijn een hoop dingen die fijn zijn. Als je er goed over nadenkt zijn er zelfs een hele hoop dingen die fijn zijn. Het zijn meestal kleine dingen, de dingen die je dag breken, die een glimlach op je gezicht en een warm gevoel in je buik toveren en er zo dus voor zorgen dat die dag, dat moment de moeite waard is. Alles bij elkaar maken de dingen die fijn zijn het leven de moeite waard.

Ik heb denk ik een oneindige lijst met dingen die fijn zijn, waarvan hieronder een uittreksel.

-Dat je dacht dat de verjaardagstaart op was, maar dat je in de koelkast toch nog een stukje vindt;
-Een kado aan iemand geven en dat die persoon er echt heel blij mee is;
-Met je gezin in de auto op vakantie;
-Terugkomen van vakantie en dat je zoontje van 10 maanden z’n Nijntjeknuffel helemaal enthousiast begroet;
-Dat je lekker hebt gekookt en dat je ziet dat je lief het ook lekker vindt;
-’s middags, zo rond drie uur, bolognesechips eten;
-Je net geboren kindje op je buik hebben liggen;
-Alles van en met Stephen Fry;
-Met goede vrienden een weekend weg;
-Met je tien maanden oude kind naar de dierentuin en dat hij dan meer oog heeft voor de mensen om hem heen dan voor de dieren;
-Beginnen aan een boek en er al na een paar pagina’s achterkomen dat het echt een goed boek is;
-Om 08.00 nog even terug naar bed;
-Verliefd aangekeken worden door je lief;
-…..

Wordt vervolgd!

Dit idee is (natuurlijk) niet van mij. Of misschien is het ook wel van mij. Dit zijn namelijk een aantal van mijn dingen die fijn zijn en ik probeer me altijd zeer bewust te zijn van de dingen die fijn zijn.

Claudia de Breij heeft een boek geschreven dat ook daadwerkelijk heet Dingen die fijn zijn.
En kijk ook eens op de blog 1000awesomethings.com van Neil Pasricha die er zelfs The Book of Awesome over geschreven heeft.

Broers

4 juli 2010

This story shall the good man teach his son;
And Crispin Crispian shall ne’er go by,
From this day to the ending of the world,
But we in it shall be remember’d;
We few, we happy few, we band of brothers;
For he to-day that sheds his blood with me
Shall be my brother; be he ne’er so vile,
This day shall gentle his condition:
And gentlemen in England now a-bed
Shall think themselves accursed they were not here,
And hold their manhoods cheap whiles any speaks
That fought with us upon Saint Crispin’s day.

Zo begint de beroemde Crispin day speech uit Shakespeare’s Henry V. Het gaat hier om de zinsnede ‘Band of Brothers’, tevens de titel van een televisieserie over een compagnie soldaten die zich na te zijn geland in Normandie op D-Day zich al vechtend een weg banen door Europa, richting Berlijn.

Kijkend naar die serie was de eerste gedachte die in mij opkwam, ‘wat hebben we die mensen aangedaan met zijn allen!’. Gewone jongens van 18, 19, sommigen zelfs nog maar 17, als was dat eigenlijk illegaal, die uit een vliegtuig springen tussen afweergeschut en vallende vliegtuigen. En dan in de meest verschrikkelijke terechtkomen, achter elkaar gewond raken of erger. En alleen elkaar hebben om op te vertrouwen.

Een mooie verschrikkelijke serie over het beste en het slechtste in de mens en over hoe dat zo heel vaak vlak bij elkaar ligt.

Bitterzoete wraak

8 april 2010

Als iemand een ander mens heeft gedood, dan is het in ons rechtssysteem zo dat diegene een hogere straf krijgt als dat heeft plaatsgevonden met de intentie om diegene te doden. We onderscheiden zo moord, doodslag en dood door schuld. In het laatste geval is iemand om het leven gekomen door verwijtbaar gedrag. Dat laatste vindt niet plaats vanuit de intentie om iemand te doden, maar heeft wel de dood van iemand tot gevolg. Doodslag is het opzettelijk doden van iemand zonder voorbedachte raden en moord hetzelfde doen, maar dan met voorbedachte rade.

 

De strafmaat hangt dus af van de intentie. In het geval van de Griekse tragedie Medea en de gelijknamige hoofdpersoon kunnen we vanuit dit oogpunt spreken van moord. Ze heeft immers een, in al zijn wreedheid toch briljant, plan bedacht om haar rivale te vermoorden door middel van een vergiftigde jurk. En ook haar kinderen dood ze heel bewust, al heeft ze daar zichtbaar meer moeite mee. Vanuit het oogpunt van de intentie gezien hebben we dus alle reden om Medea meervoudige moord ten laste te leggen. Natuurlijk is ze schuldig.

 

Daar is echter niet alles mee gezegd. Er bestaat namelijk in het Nederlands recht ook nog zoiets als ontoerekeningsvatbaarheid. Op basis van ontoerekingsvatbaarheid wordt een strafbaar feit niet aan de dader toegerekend vanwege zijn psychische toestand.  De dader heeft bijvoorbeeld geen schuld als hij lijdt aan een psychische stoornis.

 

Was Medea misschien ontoerekeningsvatbaar? Kunnen we zeggen dat ze een psychische stoornis heeft? Feit is dat ze heel wat heeft meegemaakt. Ze heeft Jason geholpen in al hun avonturen en hem altijd bijgestaan, vaak met gevaar voor eigen leven. Nu wordt ze echter afgedankt, ingeruild voor een jongere vrouw, een betere partij volgens Jasons, die er ook nog bij zegt dat hij het voor de kinderen doet. Iedereen zou daar kwaad om worden. Het is dan ook niet raar dat er iets in haar knapt. Met haar verleden van vechten en moorden samen met Jason is het ook niet vreemd dat ze zich tot dat soort praktijken wendt als ze wraak neemt op hem.

 

Het verhaal maakt begrijpelijker dat Medea doet wat ze doet. Ze zegt er zelf over dat een vrouw bang is voor veel dingen, maar dat ze moordzuchtig wordt als ze wordt gekwetst in de liefde. “Heaven has no rage like love to hatred turned / Nor hell a fury like a woman scorned.” Zoals het bekende citaat van William Congreve gaat. Hij had zomaar Medea in zijn achterhoofd kunnen hebben.

 

In Quentin Tarantino’s film Kill Bill zien we ook een woman scorned wraaknemen. De hoofdpersoon vermoordt iedereen die medeverantwoordelijk is voor een grote schade die haar is toegebracht. Met deze vrouw kunnen we meevoelen, de wraak die zij neemt smaakt zoet omdat ze alleen degene schade toebrengt die haar ook schade toebrachten. Als kijkers hebben we, mede door de stijl van de film, sympathie voor The Bride en haar wraakacties en hebben we bewondering voor haar als ze in een zwaardgevecht tientallen tegenstanders doodt of in ieder geval uitschakelt.

 

Medea’s wraak echter is bitter omdat zij voor haar wraak op Jason verder gaat dan hem alleen schade toebrengen. Iedereen die hij liefheeft moeten eraan voor de ultieme wraak, ook zijn kinderen, die ook de hare zijn.Natuurlijk is het moeilijker daar sympathie voor op te brengen. Als we Medea lezen kunnen we het echter wel begrijpen. Het verhaal loopt noodzakelijk zoals het loopt door alles wat Medea heeft moeten verduren, het besluit dat ze neemt tot wraak is niet een besluit dat ze bewust maakt, maar een besluit dat volgt uit alles wat er is gebeurd. Door de woede die in haar woedt kan ze geen andere beslissing nemen dan de ultieme wraak te nemen op haar voormalige geliefde.

 

De wraak die ze wilde en die ze in gang heeft gezet is een totale wraak die de dood van de twee kinderen vereist. Toch kunnen we zeggen dat ze wel degelijk schuldig is. Dit blijkt denk ik uit haar moment van twijfel, waarin ze week wordt als ze haar kinderen ziet glimlachen. Op dat moment had ze kunnen stoppen. Ze ziet dat echter als een zwakheid. Ze is op wraak bezonnen en die wraak moet afgehandeld worden zoals het begonnen is.

 

Dat vermindert denk ik niet de schuld die ze heeft in het vermoorden van haar kinderen. Het vermoorden van die kinderen is denk ik tegelijkertijd een morele handeling waar ze schuld aan heeft als een handeling vanuit alles wat op haar inwerkte en waar ze weinig aan kon doen. Vanuit zuiver moreel opzicht is ze schuldig, vanuit menselijk opzicht kunnen we niet zeggen dat wij anders zouden handelen als ons ten deel viel wat Medea ten was gevallen.

 

Zouden we nu Medea voor een rechtbank brengen, dan zou ze denk ik schuldig bevonden worden. Haar wraakgevoelens zouden weinig tot geen sympathie opwekken bij de rechter, maar veeleer als motief worden gezien. Ze zou denk ik gewoon voor moord worden veroordeeld en de cel ingaan. Misschien zou ze TBS krijgen, omdat een psychiater verklaart dat ze toch ergens een geestelijke aandoening heeft opgedaan. Daar zou het mee gezegd zijn.

 

De straf die ze door haar onvermijdelijke schuld verdient krijgt ze echter toch wel. Deze volgt al uit de daad. Ze verwondt de vader van de kinderen met haar daat, maar haar eigen pijn zal twee keer zo groot zijn. Haar hand moet ze doden, maar ze heeft wel degelijk van hen gehouden. Geen vrouw zal ongelukkiger zijn dan zij.

Adieu

16 maart 2010

Ik hou me bezig met plaatselijke politiek. En dat is vaak al druk. Ik denk wel eens aan het Haagse en stel me dan afleveringen van favoriete serie The West Wing voor. Je slaapt nooit en bespreekt al lopend door de wandelgangen van het binnenhof pregnante kwesties met andere politici. Ik weet niet in hoeverre mijn beeld ook maar een beetje klopt, maar druk is het zeker.

En dan stop je, na twaalf jaar te hebben rondgelopen daar en, als mijn vermoeden klopt, zelden te hebben geslapen, stop je.  De reden die je opgeeft is dat je meer tijd met je jonge gezin wil doorbrengen. En dan wordt dát een politieke kwestie. Ineens ben je moraalridder en lichtend voorbeeld voor de minder geëmancipeerden onder ons. En er wordt gespeculeerd over de werkelijke reden waarom je gestopt zou zijn.

 En dan gaat het niet meer over jou óf over jouw kinderen, maar over het politieke spel, de man in het algemeen en over de man met een drukke baan in het bijzonder en over de rol van vrouwen daarin en over of het werk in politiek Den Haag überhaupt wel mogelijk is.

Maar uiteindelijk is het jouw keuze voor jouw kinderen. En net als het politieke systeem waar je zo’n groot deel van je werkzame leven aan hebt gegeven is de mogelijkheid van die keuze een verworvenheid waar we trots op mogen zijn.