Een korte analyse van Nederland bij slecht weer
(geschreven in 2005, maar natuurlijk zeer actueel in het stormachtige begin van 2012. Het is geschreven als reactie op een aantal wetenschappelijke artikelen, de goede verstaander leest daar denk ik wel over heen)
Gedurende de collegeperiode waarin het vak Van interactief heiligdom naar interpassief veiligdom gegeven werd, heb ik me afgevraagd of het inderdaad zo is dat de samenleving op die manier zo veranderd is. De chaos die ontstond toen het op vrijdag 25 november 2005 een keer echt slecht weer was in ons land gaf mij een bewijs. En hoewel dit misschien niet geheel doorslaggevend is (wat is immers één dag?) denk ik dat ik er wel iets over kan zeggen.
Ik hoorde die vrijdag in de winkel een gesprek tussen een man die net thuis was uit zijn werk, hij had zijn nette pak nog aan het het befaamde zwarte koffertje nog in zijn handen, en een iets oudere man die blijkbaar de hele dag thuis was geweest.
De laatste vroeg de man in het pak of hij geen moeilijkheden had gehad op de weg, waarop deze zei dat hij zijn auto ergens had staan waar hij enkel met de trein kon komen. Vervolgens had hij gehoord dat de treinen niet meer reden en toen hij maar iemand gebeld om hem op te komen halen. Diegene had meer dan twee uur gedaan over een ritje dat normaal een half uur kostte. Die middag had hij al vrij genomen omdat hij het mis zag gaan. Alsnog was hij pas aan het begin van de avond thuis was.
Het ging mij om de manier waarop dit gesprek ging. In de stem van de jongere man klonk behalve de vlaag van de irritatie die hij na zo’n dag wel moest voelen vooral een zekere trots door. Hij had meegedaan aan dit gebeuren, het nieuws van die dag ging over hém. De oudere man hoorde ik dan ook spreken met een soort bewondering. Hij was die dag buitenstaander geweest, hij had niet meegemaakt wat heel Nederland scheen meegemaakt te hebben.
De volgende ochtend hoorde ik mensen met dezelfde bewondering spreken over de mensen die de hele nacht nog in de file hadden gestaan. Iedereen had die mensen in hun auto’s zien slapen of in een stationshal zien zitten wachten op een trein die nooit kwam en iedereen had het erover, alsof ze het jammer vonden dat zij die nacht gewoon in hun eigen huis hadden doorgebracht.
Dit soort geluiden zijn vaak te horen als er ‘iets’ aan de hand is. Mensen willen bij dat ‘iets’ zijn. Met Virilio kunnen we zeggen dat mensen niet voor of tegen te zijn, als ze er maar direct bij zijn. En dat werd juist door de televisie mogelijk. De thuisblijvers waren er dus in zekere zin meer bij dan de mensen die in die files stonden. Via de media en vooral via het medium televisie werden de huiskamers doordrongen van het hele gebeuren, zo erg zelfs dat mensen in spanning zaten of de reporter van de NOS uiteindelijk wel of niet op de plek des onheils zou komen.
Hieruit blijkt ook dat interpassiviteit niet louter passiviteit is. De mensen zijn juist erg betrokken. Ze reageren echter, juist omdat ze in de nabijheid van dat medium verwijlen, met een ‘nu even niet’. Met andere woorden, mensen blijven liever achter de televisie zitten om te kijken naar problemen met het weer elders in het land dan er voor te zorgen dat hun eigen straat sneeuw- en ijsvrij, en dus veilig, is. Ze besteden hun veiligheid liever uit aan de daartoe bevoegde instanties. Dit gaat niet alleen om veiligheid met betrekking tot weersomstan-digheden in relatie tot het wegennet, maar juist ook over veiligheid op straat met betrekking tot het samenkomen van mensen in de publieke ruimte. Mensen willen dat ‘het’ veiliger wordt op straat, maar doen daar vervolgens zelf niets aan. De bevoegde instanties waaraan de mensen die veiligheid uitbesteden reageren vervolgens met concepten als ‘meer blauw op straat’. Dit zijn concepten die niet zorgen voor meer reële veiligheid, maar slechts voor een gevoel van veiligheid. Het gaat om een soort symbolische veiligheid.
Hetzelfde geldt voor de camera’s op straat. Deze voorkomen ook niet dat er dingen gebeuren, maar geven mensen wel het gevoel dat er iemand meekijkt. Ook dit kan weer een gevoel van veiligheid opleveren. Hoe veilig of onveilig het echt is kunnen we echter eigenlijk bijna niet meer weten. Veiligheid is een gevoel dat vooral door de media wordt beïnvloed. De reële (on)veiligheid weten we niet mede omdat velen van ons zich eigenlijk zelden meer in de publieke ruimte begeven.
Dit konden we die dag zien toen we televisie aanzette. De sneeuw in het midden van het land had meer dan 900 kilometer file veroorzaakt. Toen ik al die rijen auto’s zag drong het tot me door dat ik hier een wel heel goed voorbeeld zag van wat Lieven de Cauter de capsulaire samenleving noemt.
Volgens de Cauter is de consequentie van de binaire structuur van het kapitalisme dat er nooit een global village zal zijn. Er zal altijd een binnen en een buiten blijven. Mensen zullen zich in hun eigen stukjes omgeving blijven terugtrekken. Dit komt doordat er veel ongelijkheid is. Veel structuren worden gemaakt die het binnen tegen het buiten moeten verdedigen. De Cauter noemt zulke structuren capsules of capsulaire architectuur. Dit is vooral te zien in moderne steden die geheel gegeneraliseerd is geworden. Deze steden zijn geobsedeerd met dichtheid, veiligheid en controle. De capsule is een apparaat dat een kunstmatige omgeving creëert die de communicatie met het buiten minimalizeert door zijn eigen tijd-ruimte milieu te creëren. Het is dus een gesloten kunstmatige omgeving. Het ultieme voorbeeld is natuurlijk de auto die we voor steeds kortere stukken nodig schijnen te hebben. De auto creëert een gevoel van veiligheid als je toch door de onveilige openbare ruimte heen moet. En eerlijk is eerlijk, ik ga ook liever ‘s avonds door Rotterdam Zuid met de auto dan dat ik fiets of loop, ondanks het feit dat er jaarlijks heel veel doden vallen in het verkeer. Dit is weer duidelijk een voorbeeld dat veiligheid met een gevoel te maken heeft. Statistisch gezien is een auto helemaal zo veilig niet. In je eigen auto voel je je echter veilig en dat komt voornamelijk doordat deze auto jouw eigen plek is, één van die structuren waarmee je je verdedigt tegen het buiten.
Ik denk ook dat dat laatste de reden is dat mensen niet graag het openbaar vervoer nemen. Het is heel moeilijk om daar je eigen ruimte van te maken. Mensen proberen zich te installeren als ze een reisje met in het openbaar vervoer maken. Nu lukt dat nog enigszins als je zit, maar zelfs bij een kort ritje worden mensen al zeer ongelukkig als ze moeten staan. Het is heel goed mogelijk dat dat niet alleen is omdat staan in een rijdend voertuig een ongemakkelijke bezigheid is, maar ook omdat mensen zich geen plek eigen kunnen maken. Daarbij is de capsule die je creëert in het openbaar vervoer geen permanente capsule. Je kunt je tijdelijk jouw stoel eigen maken, maar op een gegeven moment moet je er weer uit en moet je ergens anders weer je capsule creëren.
Dat kan de reden zijn dat mensen walkmans en mobiele telefoons gebruiken om zich van de wereld af te sluiten. Ook dat zijn volgens De Cauter capsules. Met een walkman creëren we ook een binnen en een buiten. Iemand die een walkman draagt is als het ware niet in de publieke ruimte, maar zit in zijn eigen wereld.
Dit deed me ook denken aan het idee van Hannah Arendt dat je in de publieke ruimte kan zijn wie je wilt. Is dat niet ook een capsule? Volgens mij verdedig je daar ook jouw binnen mee tegen het buiten. Je schept een soort façade doordat je een identiteit creëert over jouw eigen identiteit heen. Hannah Arendt maakt duidelijk dat we altijd op nieuw kunnen beginnen in die publieke ruimte. Je kunt zijn wie je wilt. Je echte identiteit is echter privé, daar heeft niemand iets mee te maken.
Geen van de mensen die die avond in een van die lange files stond verliet zijn auto om te gaan lopen. Nu is dat een raar idee, en niet alleen omdat de file dan nooit opgelost zou zijn doordat er her en der auto’s los zouden staan zonder chauffeur. Niet alleen zijn mensen in Nederland als ze met de auto ergens heen gaan er niet op voorbereid om enkele tientallen kilometers te gaan lopen, ze kunnen het ook zeer waarschijnlijk niet meer. Lieven de Cauter heeft gelijk als hij zegt dat we de publieke ruimte bijna niet meer gebruiken, het probleem is dat we het in veel gevallen niet meer kunnen. Mensen die die avond waren uitgestapt om te gaan lopen waren zeer waarschijnlijk vermoeid ergens gaan zitten om vervolgens onderkoeld te geraken. Draaiden onze voorouders er de hand niet voor om een aantal dagen te lopen als ze van Amsterdam naar Apeldoorn wilden, tegenwoordig blijven we als we nog maar enkele kilometers van Apeldoorn verwijderd zijn liever in de file staan. Mede ook omdat die auto onze eigen ruimte is.
Het lijkt alsof het reizen in ons land minder gevaarlijk is geworden. Je hebt tegenwoordig een zeer grote kans om zonder kleerscheuren van Amsterdam naar Apeldoorn te komen. Echter, als ik met de Cauter mee ga in zijn redenering kan ik betogen dat wij eigenlijk bijna niet meer reizen. We verplaatsen ons in een capsule van capsule naar capsule. Die capsules hebben hun eigen tijd-ruimte milieu en zijn dus een eigen ruimte, een ruimte die we ons eigen kunnen maken. Ik moest hierbij denken aan een reis die ik twee jaar geleden in Canada maakte. We hadden een auto gehuurd en besloten daarmee een tocht door British Columbia te maken. Meer en meer ging ik de auto waarderen en ik ging hem zien als een soort veilige haven als we een wandeling hadden gemaakt naar één van de vele bezienswaardigheden. Ik besefte dat in dat gebied de natuur nog echt natuur was en dat ik niet was uitgerust om me zonder auto in die natuur te begeven. Ik was in dit geval dankbaar voor mijn capsule die me overal bracht. Maar eigenlijk werd mijn reis pas echt op de momenten dat ik buiten de auto was. Mensen stappen ook altijd uit om bezienswaardigheden te bekijken, al is het enkel van de buitenkant die je ook vanuit de auto kunt zien. Pas dan begeven we ons in de publieke ruimte (al is er iets voor te zeggen ook de gemiddelde toeristische attractie een capsule te noemen) en zijn we echt op reis.
Lieven de Cauter ziet de problemen die deze capsulaire samenleving met zich meebrengt. Hij is nogal een doemdenker. Hij haalt het voorbeeld aan van Semira Adamu, een vluchtelinge die België (en daarmee fort Europa) binnen wilde komen. Ze werd op een zo brute manier behandeld bij haar uitzetting dat ze stierf. Blijkbaar is ook Europa een capsule met een eigen tijd-ruimte, die we willen verdedigen tegen dat wat van buiten komt.
De Cauter is nog al extreem in zijn denken over deze capsulaire samenleving. De vraag echter of dit idee zo nieuw is. Natuurlijk hebben we niet altijd auto’s gehad om ons voort te bewegen. Maar ook onze voorouders creëerden naar mijn mening hun capsules, al hadden ze nog niet de mogelijkheid deze zo afgesloten te maken als we tegenwoordig doen. Is dat interpassiviteit? Vast wel, maar het is het niet gewoon ook mensen eigen om terrein af te bakenen en dus capsules te creëren? Het lijkt er bijna op dat de Cauter een nieuwe naam heeft gegeven aan een oud sociologisch fenomeen. Als moet ik hem wel nageven dat wanneer mensen zich onveiliger gaan voelen zich meer en meer in hun capsules gaan terugtrekken en de publieke ruimte gaan mijden.
Ik denk echter dat er ook voor Boomkens drempelwereld wel wat te zeggen is. Het is wel heel erge Franse retoriek om te zeggen dat alles een capsule is en dat we nooit meer in de publieke ruimte komen. De Cauter trekt het wel heel extreem. Ik denk dat er grenzen tussen die capsules zijn die niet heel strak zijn. Boomkens noemt dit de drempelwereld. Hij spreekt van sluizen die zich tussen de publieke ruimte en de privésfeer bevinden. Er zijn ruimtes die plaats kunnen bieden aan privé-moetingen en die gelegenheid bieden voor collectieve gebeurtenissen. Deze ruimtes vormen de drempelwereld waar individualiteit en collectiviteit elkaar raken. Een goed voorbeeld van zo’n ruimte is een ziekenhuis waar dingen gebeuren die heel privé zijn voor mensen. Mensen uiten er hun angsten of hun blijdschap, ze rouwen om de dood van een geliefde of zijn blij met de geboorte van hun kind. Tegelijkertijd is een ziekenhuis openbaar en kunnen ook wildvreemden delen in die dingen.
Duidelijk was dat die vrijdagavond te zien bij de mensen die op hun trein zaten te wachten. Zij moesten wachten in een zaaltje waar het warm was en waar ze even konden zitten. En hoewel er mensen waren die met walkman op probeerden te slapen of zich al bellend af probeerden te sluiten van de omgeving was er ook duidelijk interactie tussen mensen te zien. Mensen die elkaar op het station of in de trein nooit zouden hebben aangesproken zaten nu samen een potje te kaarten of gewoon een gesprek met elkaar te voeren.
Hier bleek dat het idee van Sennett ook waar is. De mensen waren min of meer tot elkaar veroordeeld in deze kleine ruimte. Volgens Sennett moet je afstandelijk zijn tegenover elkaar, maar moet ook weer niet helemaal langs elkaar heen leven. Sennett zag dit echter ook nog gebeuren in de echte publieke ruimte. Ik denk dat dat wat ver gaat, maar het gaat zeker nog op in Boomkens drempelwereld. Misschien is het zelfs wel zo dat die drempelwereld ook voor een kort moment door mensen gecreëerd kan worden. Als je in de publieke ruimte met iemand in gesprek raakt is dat niet veel anders dan als je je van de publieke ruimte afsluit met een mobiele telefoon. Je creëert als het ware een capsule voor meerdere mensen. Ik denk dat de drempelwereld van Boomkens ook zo werkt. Die semi-openbare plaatsen waar hij het over heeft zijn in principe toch weer capsules, alleen kunnen er meer mensen in. Helemaal open zijn ze echter ook niet. Er blijft een binnen en een buiten.
Daarbij was het duidelijk dat het nieuws, inderdaad een extreme vorm was van tegemoed komen aan de kijker. Het medium was ter plekke en registreerde ook echt zonder tussenkomst. En zo kwam het dat heel Nederland zat te kijken naar mensen die in hun auto’s probeerden te slapen.
Ik vond dit heel veel lijken op het idee van het Panopticon van Jeremy Bentham. Een gevangenis waar de gevangenen constant op hun hoede moesten zijn dat ze niet in de gaten gehouden werden. In zekere zin zagen we dat die vrijdag ook. De mensen die in de auto’s zaten te slapen konden ieder moment een camera op zich krijgen, wat dan ook vaak gebeurde. Zelfs in je eigen capsule lijk je dus niet meer veilig voor de alomtegenwoordige camera’s.
Ik heb op een gegeven moment de televisie uitgezet. Het journaal kwam hetzelfde nieuws ieder kwartier brengen. En dat leek me nogal overbodig. Toch bleven de media maar uitzenden, alsof iemand er echt alles over wilde weten. Ik denk dat Virilio gelijk heeft als hij zegt dat je kan bezwijken onder de loutere intensiteit van de informatie. En eerlijk gezegd was voor mij het nieuwe er na het zoveelste beeld van een door sneeuw geblokkeerde snelweg, een slapend persoon in zijn auto of een stilstaande trein wel af.
Inderpassiviteit kan worden gedefiniëerd in termen van uitbesteding. Mensen onderschrijven de normen wel maar verklaren zichzelf incapabel om naar die normen te leven. Ze geven zichzelf een soort Kantiaans brevet van onvermogen.
Het viel me dan ook op dat de enige persoon die die dag overduidelijk aan de interpassiviteit ontsnapte ook het enige echte slachtoffer werd. Het NOS journaal meldde dat een man die een vrachtwagenchauffeur wilde helpen, tijdens een poging bij deze chauffeur te komen tussen de twee helften van de lekbrug bij Vianen terechtkwam. Misschien had hij net als al die andere mensen beter in zijn auto kunnen blijven zitten.